In 2019 en 2020 presenteerde Marten in ‘Coffee en Cacao’ tweemaal met groot succes een serie ‘Sterke verhalen’. Door Corona is dat in 2021 niet mogelijk. Als alternatief vertelt Marten wekelijks een nieuw sterk verhaal op de YouTube site van Omroep Pim.
In april gaf Marten een interview aan omroep PIM, de Waterlandse omroep. Deze is te zien m.b.v. deze link:

https://www.omroep-pim.nl/de-molenaar-van-overleek-interview-met-marten-horjus/content/item?1174405

Voorproefje

Een paar hoofdstukken uit het boek.

Nestgeur

Moeder is ziek. Ze vermagert, ligt lang op bed, sukkelt in slaap als je op visite bent en komt nauwelijks de straat nog op. Het is mooi geweest, verkondigt ze aan iedereen die het horen en niet horen wil. Mag een mens ook nog gewoon doodgaan? Ik wil vooral geen polonaise aan mijn lijf.
Theo heeft niets in de gaten. Theo is haar zoon. Theo roept dat iedereen niet zo moet zeuren. Laat dat mens toch. Ze is gelukkig in haar huisje. Oké, ze is oud en zal wel een keer doodgaan, prima. Maar nu nog niet. Nog lang niet.

Iedere avond gaat Theo langs bij zijn moeder. Zij zit dan meestal voor de televisie, onderuit in haar oude stoel. Hij maakt voor zichzelf een kopje oploskoffie en draait een sigaretje van zijn moeders shag. Ze rookt niet, of eigenlijk niet meer. Ze heeft altijd stevig gerookt, maar de laatste tijd lukt dat niet meer vanwege de benauwdheid.
Theo houdt van moeder. Hij heeft ook wel een vrouw, maar als het er op aankomt gaat moeder altijd voor. Hij trouwde op zijn vijfentwintigste, bij moeder uit huis. Vader was al jaren dood. ‘Hup, aan de vrouw’ had moeder gezegd. ‘Aan de slag met je huwelijksgereedschap.’ Ze had op kleinkinderen gehoopt, maar die waren er nooit gekomen. Theo was en bleef het enig kind.

Op een zondagavond vond hij haar in de stoel voor de televisie. Theo dacht dat ze in slaap was gesukkeld. ‘Daar komen de boeren!’ schalde het tv-programma, maar Theo hoorde het niet. Hij ging naar de keuken om zijn koffie te maken. Terwijl het water opstond draaide hij zijn sigaretje. ‘Een romantisch weekend is Hellendoorn!’ riep de tv en Theo goot het water op de koffie. Moeder is dol op dit programma. ‘Berend, maak je keuze! Vrouwen genoeg’. Moeder slaapt vast, dacht Theo. ‘Een geheime ontmoeting, misschien?’ Ik maak haar zo meteen wel wakker.
Toen de koffie en het sigaretje op waren en Berend zijn vrouw voor het romantisch weekendje in Hellendoorn had gekozen, besloot Theo zijn moeder wakker te maken. Het was saai zonder haar tv te kijken. Zachtjes trok hij aan haar arm. Ze gleed uit de stoel, de broek nat geplast.
Theo knielde bij zijn moeder. ‘Moeder, heeft u het koud? Ik zal u in bed leggen en verwarmen met mijn warmte’. Hij tilde haar op, haar mager geworden lijfje in zijn gespierde armen. Hij bracht haar naar boven, naar haar bed. Daar legde hij haar in, op haar zij, zoals ze altijd had gelegen. En Theo kroop ernaast. Hij kroop tegen moeder aan.

Hoe het afloopt? Lees het in de verhalenbundel!

Nestgeur

Moeder is ziek. Ze vermagert, ligt lang op bed, sukkelt in slaap als je op visite bent en komt nauwelijks de straat nog op. Het is mooi geweest, verkondigt ze aan iedereen die het horen en niet horen wil. Mag een mens ook nog gewoon doodgaan? Ik wil vooral geen polonaise aan mijn lijf.
Theo heeft niets in de gaten. Theo is haar zoon. Theo roept dat iedereen niet zo moet zeuren. Laat dat mens toch. Ze is gelukkig in haar huisje. Oké, ze is oud en zal wel een keer doodgaan, prima. Maar nu nog niet. Nog lang niet.

Iedere avond gaat Theo langs bij zijn moeder. Zij zit dan meestal voor de televisie, onderuit in haar oude stoel. Hij maakt voor zichzelf een kopje oploskoffie en draait een sigaretje van zijn moeders shag. Ze rookt niet, of eigenlijk niet meer. Ze heeft altijd stevig gerookt, maar de laatste tijd lukt dat niet meer vanwege de benauwdheid.
Theo houdt van moeder. Hij heeft ook wel een vrouw, maar als het er op aankomt gaat moeder altijd voor. Hij trouwde op zijn vijfentwintigste, bij moeder uit huis. Vader was al jaren dood. ‘Hup, aan de vrouw’ had moeder gezegd. ‘Aan de slag met je huwelijksgereedschap.’ Ze had op kleinkinderen gehoopt, maar die waren er nooit gekomen. Theo was en bleef het enig kind.

Op een zondagavond vond hij haar in de stoel voor de televisie. Theo dacht dat ze in slaap was gesukkeld. ‘Daar komen de boeren!’ schalde het tv-programma, maar Theo hoorde het niet. Hij ging naar de keuken om zijn koffie te maken. Terwijl het water opstond draaide hij zijn sigaretje. ‘Een romantisch weekend is Hellendoorn!’ riep de tv en Theo goot het water op de koffie. Moeder is dol op dit programma. ‘Berend, maak je keuze! Vrouwen genoeg’. Moeder slaapt vast, dacht Theo. ‘Een geheime ontmoeting, misschien?’ Ik maak haar zo meteen wel wakker.
Toen de koffie en het sigaretje op waren en Berend zijn vrouw voor het romantisch weekendje in Hellendoorn had gekozen, besloot Theo zijn moeder wakker te maken. Het was saai zonder haar tv te kijken. Zachtjes trok hij aan haar arm. Ze gleed uit de stoel, de broek nat geplast.
Theo knielde bij zijn moeder. ‘Moeder, heeft u het koud? Ik zal u in bed leggen en verwarmen met mijn warmte’. Hij tilde haar op, haar mager geworden lijfje in zijn gespierde armen. Hij bracht haar naar boven, naar haar bed. Daar legde hij haar in, op haar zij, zoals ze altijd had gelegen. En Theo kroop ernaast. Hij kroop tegen moeder aan.

Hoe het afloopt? Lees het in de verhalenbundel!

De Molenaar van Overleek

Ik liep aan mijn moeders hand over de weg, richting de molen. Ik rilde. Mijn grotere broer had me vreselijk bang gemaakt zonder precies te vertellen wat er zou gebeuren. Mijn moeder zag de angst in mijn ogen. Haar woorden van geruststelling waren dun. Ik voelde de spanning in haar stem.
We liepen het molenerf op. In de schuur naast de molen had zich al een groep mensen verzameld. De mensen stonden of zaten op een bank of strobaal. De sfeer was er gespannen, er hing een ongemakkelijke stilte. Buiten zette de schemering in. De enkele mompel die klonk trok gelijk alle blikken naar zich toe. De vrome weduwe Pronk leek wel te bidden. Voor in de schuur hingen twee olielampen.
Toen verscheen de molenaar met zijn vrouw. Hij droeg zijn rechterarm in een doek. Zijn gezicht had diepe groeven. Ik kende hem en vond het geen aardige man. Zijn vrouw, voor wie ook al geen warme gevoelens koesterde, zette hem op een stoel bij de tafel.
Zij haalde zijn arm uit de doek. Ik zag dat zijn hand omwikkeld was met een lap.

Ooit, in 1841, was hij jong geweest. Eerst hij had gewerkt als molenaarsknecht en later een baan gekregen, als molenaarbaas. Een knecht had hij niet nodig. Hij was jong en sterk. De molen maalde het water uit de Rietbroek de Leek in. Hij voelde zich rijk. Een zuidwesten windje, de mystiek van de draaiende vijzel, het gutsende water achter de molen, de zon door de wolken, een lieve vrouw.
Hij woonde niet met haar alleen op de molen. Zijn broer, Siemen, woonde er ook. Het was een bijzondere broer om twee redenen. Ten eerste was het zijn tweelingbroer. Uiterlijk leken de ze sprekend op elkaar, de molenaar en zijn broer. De tweede reden was dat zijn broer innerlijk helemaal niet op hem leek. Siemen was simpel, kinds. Hij kon eindeloos over een wollen doekje aaien of doelloos ronddwalen over het molenerf.
Zijn vrouw had de tweelingbroer geaccepteerd. Ze had geduld met hem en zag er niet tegenop om hem te verschonen als hij weer eens in zijn broek had geplast.
Siemen had de vrouw van zijn broer ook geaccepteerd, meer dan dat zelfs. Ze was voor hem geworden als zijn bloedeigen moeder. Huilend kon hij bij haar wegkruipen, getroost kon hij door haar in slaap worden gezongen.
De natuur ging zijn vruchtbare gang en de molenaarsvrouw werd zwanger. God werd gedankt en de vreugde was groot. Er werd een meisje geboren, gezond en met rode krulletjes, Afke.
Maar er was ook een keerzijde. Siemen, de tweelingbroer, werd jaloers. Kinderachtig jaloers. Boos kon hij toekijken als het kind werd geliefkoosd door haar vader en moeder. Hij stal het kindereten soms van haar bord. Als moeder haar kind naar bed bracht ging hij ernaast op de grond liggen duimen onder een dekentje. De molenaar kocht een stevig slot om de slaapkamer van het dochtertje op slot te kunnen doen als vader en moeder sliepen.

Zwijgend knoopte de molenaarsvrouw de doek die om de hand zat los. Ik rook een zoete, vette geur. Om zijn hand zaten nog wat zwachtels. Iedereen keek gespannen toe hoe de molenaarsvrouw de zwachtels afwikkelde. Al die tijd hadden de molenaar en zijn vrouw de mensen in de schuur niet aangekeken.
De hand was bleek en zat vol grauwe vlekken. Het was als de hand van een dode.
De molenaar legde met een zucht zijn arm languit op een werktafel.

Het was een prachtige molenaarsdag geweest in oktober 1846. Na een week regen en zorgelijke praatjes van de buurt over de hoge waterstand brak eindelijk de zon door en stak er een lekker zuidwestenwindje op. De molenaar had zijn zaken voor elkaar. Hij zag de weersverandering aankomen en had de molen in de aanslag. Als de buren voorbijkwamen op de weg gingen de duimen omhoog. De molen draaide als een tierelier, in de molentocht stond een kolk.
Zijn vrouw schilde de peertjes in de keuken, Siemen scharrelde achter op het erf. En Afke was een watervlugge peuter.
Plotseling bekroop hem een onheilspellend gevoeld. Er was een flits door hem heen gegaan. Het bloed kolkte hem in tijd van één hartslag door zijn lijf. Ergens ging er iets helemaal mis, maar wat? Hij rende naar het achtererf. Daar zag hij het gebeuren. Anke stond naast de molentocht. Siemen liep op haar toe. De molenaar zag hoe zijn broer zijn dochtertje het water in duwde. “Neeeeeeee!!!!!”.
Het was een oerschreeuw geweest. Zijn vrouw verstijfde in de keuken. Heel Overleek keek op.
Ook in de hemel werd de schreeuw gehoord. Snel als bliksem werd daar de situatie onderkend.
De molenaar dook van de molen te water. Hij zwom met een kracht die hij van zichzelf niet kende richting zijn kind. Zij werd door de zuigkracht van de molen naar de kolk getrokken, naar de vijzel.
Een engel schoot toe. De molenaar pakte zijn dochter toen ze vlak voor de kolk was. De engel rukte het kind uit de armen van de molenaar. Hij zag de molenaar aan voor zijn broer. In plaats van de molenaar, net als het meisje, op de kant te zetten, liet hij de vader onberoerd. Die was een ogenblik van slag, zijn kind werd hem uit handen gerukt. Het gebeurde allemaal in een flits, zoals alleen hemelse wezens dat kunnen.
De molenaar werd in een oogwenk de kolk ingezogen. Zijn hand raakte in de vijzel. Moeiteloos, met windkracht acht, werd de hand van de molenaar afgesneden. Op datzelfde moment zag de engel Siemen en zijn vergissing in. Als een pijl schoot hij uit om de molenaar op de kant te zetten voordat die helemaal vermalen zou worden.
Eenmaal op de kant kromp de molenaar ineen van de pijn. Uit zijn pols spoot een straal helderrood bloed. Scheldend en vloekend kon hij zich na een paar minuten tot de engel wenden, de bloedstroom uit zijn pols afklemmend met zijn linkerhand.
De engel stond er uiteraard wat bedremmeld bij. Hij was niet bij machte de molenaar te helpen. Als de hand al niet vermalen was dreef hij nu ergens ver weg in de Leek.

Hoe het afloopt? U lees het in de verhalenbundel!

De kroonprins

Toen duidelijk werd dat de oude koning niet lang meer te leven had richtte alle aandacht zich op de kroonprins.
De ministerraad kwam in vergadering bijeen. De minister van justitie sprak plechtig.
‘De grondwet schrijft voor dat de koning een opvolger dient voort te brengen. Als de kroonprins de koning opvolgt, dan moet die op zijn beurt ook weer een opvolger hebben. Ik stel voor dat we een commissie instellen om de kwestie met Zijne Koninklijke Hoogheid de kroonprins te bespreken.’
Het voorstel werd aangenomen.
Als afgevaardigden voor het gesprek werden aangewezen: de minister van justitie, hij had verstand van wettelijke verplichtingen en het afdwingen daarvan en de minister van familie- en gezinszaken, die over het produceren van nageslacht ging. De Premier wilde zelf mee omdat Koninklijke zaken in zijn portefeuille zaten.

De kroonprins had tot dan toe een prettig leven gehad. Hij was weliswaar opgeleid in staatszaken, maar er bleef genoeg tijd over voor prinselijke zaken, met name paardrijden. De prins had een prachtig wit paard waarmee hij jachtpartijen bezocht en op zwerftochten ging met zijn vriend de schildknaap. Een enkele keer werd hij tijdens het rondtrekken wel herkend en bij die gelegenheden dienden zich dan spontaan jonge meisjes aan die met ongeschoeide voeten langs de weg gingen zitten in de hoop dat hij er een muiltje aan zou schuiven. Eén dame maakte het zelfs zo bont om zich, veinzend in een diepe slaap verzonken te zijn, in een glazen kist in de berm te laten zetten. Hoofdschuddend was de prins langsgereden. Het vrouwelijk geslacht had niet op veel aandacht van hem te rekenen.

‘Koninklijke Hoogheid’, opende de minister van justitie, ‘nu de gezondheid van Zijne Majesteit uw vader tanende is, heeft het de ministerraad wijs geacht u in kennis te stellen van de verplichtingen die de koninklijke staat u stelt: er dient voor nageslacht, een troonopvolger te worden gezorgd. Wij adviseren u daarom dringend om stappen in deze richting te ondernemen. Ik geef daartoe het woord aan mijn edelachtbare collega, de minister van familie- en gezinszaken.’
‘Dank u wel, geachte collega,’ nam de minister van familie- en gezinszaken het woord over.
‘Een van de voorwaarden voor het voortbrengen van nakomelingen, om even de correcte wettelijke term te gebruiken, is de aanwezigheid van een partner van het andere geslacht.’
De premier vervolgde (de heren hadden tevoren duidelijk enige regie aangebracht in hun introductie): ‘Wij stellen u een Duitse prinses voor. Dat zijn meestal degelijke, gezonde en dus vruchtbare vrouwen. Daarnaast zijn de Duitsers dol op alle koninklijke huizen en zal het onze relatie met dat belangrijke land ten goede komen. Wij hebben een afspraak gemaakt voor donderdag over een week.’ De heren ministers vertrokken zonder de reactie van de prins af te wachten.

De prins had sinds enige tijd een probleem met paardrijden. De paarden wilden wel en de prins ook, maar zijn zitvlak werkte in het geheel niet mee. De hofarts werd erbij gehaald.
‘Dan zullen we toch even naar de billen moeten kijken, Koninklijke Hoogheid.’
Aarzelend liet de prins zijn broek zakken. De dokter boog tot beneden middelbare hoogte om het probleem in detail te kunnen bestuderen.
‘Aha, ik zie het al. Overbelasting en ontsteking van het zitvlak en omgeving, steenpuisten. Vervelend, Koninklijke Hoogheid, maar te genezen. Tweemaal daags een sodabadje, schoon verbandje met wat jodium en met een week of twee is het leed geleden. Ik zal de Rijksverpleegster vragen vanmiddag langs te komen voor de intake.’
Die middag liet de prins met schaamrood op de kaken zijn broek weer zakken. De Rijksverpleegster had een handwarm badje met soda gemaakt. Zo snel als hij kon liet de prins zijn ontblote schaamte in het sodatroebele water zinken.

Hoe het afloopt? U leest het in de verhalenbundel.

Voor anker

Ajax speelde gelijk tegen Fortuna, 1-1. Zwaar de pest heb ik erover in. Het spel was niet om aan te zien geweest, zo slecht. Hoe kan het toch dat een team dat zo goed is, zo waardeloos presteert? Ze hebben nota bene net een ervaren verdediger gekocht voor 20 miljoen. Die jongen loopt alleen maar te stuntelen. Dat zit tussen de oren, dat kan niet anders. Ze kunnen wat mij betreft die trainer maar beter de zak geven.
Mopperend zet ik de tv uit, het is half twaalf. De vrouw ligt er al een paar uur in, maar ik heb nog geen slaap. Na het eten doe ik meestal een tukkie en daarom lig ik meestal voor enen niet in bed.
Ik trek mijn schoenen aan. Een rondje lopen voor het slapen gaan werkt prima en tegelijkertijd kan ik even het lokale nachtleven aanschouwen, niet verkeerd. Zo blijft een mens op de hoogte.
Vroeger begónnen we op vrijdagavond pas om half twaalf, achter de meiden aan, lachen met de boys, biertjes drinken. Toen ik getrouwd was en als de kinderen op bed lagen keken we vaak een romantische film, nou, dan wilde mijn vrouw wel. Gewoon beneden op de bank. Those were the days; ze ligt nu al twee uur op een oor.

Buiten miezert het. De straatstenen glimmen van de regen. Om de hoek zijn de kroegen, vanaf mijn huis kan ik de muziek horen. De eerste kroeglopers gaan naar huis. Ze praten hard. De stemmen kaatsen tussen de hoge stenen gevels. Ik ken dat. Ik woon al 40 jaar in deze straat en mijn bed staat tegen het raam aan de voorkant. Van daaruit kan ik soms hele conversaties woord voor woord volgen. Dan klop ik tegen het raam en dan hoor ik ze zeggen: ‘Gut, de muren hebben hier oren. Ik ga d’r van tussen. De mazzel weer.’ De ene verdwijnt dan linksaf de gracht op en de ander loopt rechtdoor, richting de kerk.

Voor nummer 32 staat een bank. Hij staat met een ketting vast aan de gevel, anders gaan de jolige kroeglopers er mee aan de haal. Ik zie dat er iemand op zit, een manspersoon. Verdraaid, dat lijkt wel een bekende. Als ik dichterbij kom, zie ik het: het is Alex, een oude vriend van me. Hij zit met zijn ellebogen op zijn knieën naar de grond te staren.
‘Alex?’ zeg ik.
Hij tilt zijn hoofd op en kijkt in mijn richting. Hij is dronken. Dat is helemaal niks voor hem. Ik kan me niet herinneren hem ooit dronken te hebben gezien. Hij is gewoon een aardige vent, stabiel, leuke baan, Susan, lieve vrouw.
‘Tjemig, Alex, wat is er met jou aan de hand?’
‘Met mij? Hoe zo? Mag ik niet gewoon op een bankje zitten uitrusten?’
‘Dat meen je niet, kom op, man, het miezert en het is half twaalf.’
‘Nou en?’ Hij kijkt me boos aan.
Ik vlieg er te hard in, denk ik. Ik moet iets tactischer opereren.
‘Heb je trek in een biertje? Ik woon vlakbij.’
‘Nee, ik moet naar huis.’ Hij doet een poging om op te staan, maar hij ploft weer terug op de bank. Hij probeert het nog eens, pakt de leuning en staat dan wiebelig rechtop voor me.
‘Nou, kom op, geef me een arm, dan zet ik thuis een kop koffie en bak ik een ei voor je. Dat is beter dan een biertje geloof ik.’

Alex geeft zich gewonnen en laat zich door me meetronen naar mijn huis. Ik poot hem op een stoel aan de keukentafel. Hij laat een flinke boer.
‘Heb je melk.’
‘Nee, zwart.’
Ik laat hem even, in de hoop dat hij wat tot zichzelf komt. Er moet iets met hem aan de hand zijn anders was hij niet dronken.
‘Dan ben ik niet van je gewend, makker, aangeschoten op een bankje, ’s avonds laat.’
Hij kijkt me meewarig aan, neemt een slok van zijn koffie.
‘Vertel-es, wat is er?’
‘Ach, gewoon, niks bijzonders, de balen.’
‘Waarvan dan de balen?’
‘Laat mij nou maar, ik moet het zelf oplossen.’
‘Door het in bier te verzuipen, zeker? Je zit niet zonder reden op een bankje met je dronken kop. Je hebt ergens zwaar de kloten over in.’
‘Ja, de kloten, daar schop je de spijker recht in zijn kruis.’ Hij had altijd al wat met taal.
‘Nou vertel!’

Hij zucht en begint te vertellen.
‘Precies, de kloten aan het kruis, dat klotenwijf om precies te zijn, de dokter.’
‘Wat is er met de dokter?’
‘Gisteren werd ik door mijn vrouw meegesleurd naar de dokter, je weet wel die nieuwe. Mijn vrouw doet daar een idioot verhaal. ‘Ik stop er mee,’ zei ze. ‘Al dat gedoe. De seks is me tegen gaan staan.’
Het was of ik een rechtse directe kreeg, achter over sloeg met mijn kop tegen de muur, volslagen verrassing.’
‘Dat kan ik me helemaal voorstellen.’

Gaat dat ooit nog goed komen? U leest het in ‘De molenaar van Overleek’

Hemlock

Het is me gelukt. Voor me op de keukentafel staat een plastic potje met zaadjes. Ik heb ze zelf geoogst in de duinen bij Wijk aan Zee. Ik had ze ook voor € 2,99 op internet kunnen bestellen en per post thuis kunnen laten bezorgen, maar dan sta je natuurlijk gelijk door de AIVD geboekt als bezitter. Ik wilde ze onbemerkt in mijn bezit krijgen. Ik had foto’s geprint en meegenomen naar de duinen om zeker te zijn van mijn zaak. Witte schermbloemen, een vierkanten stengel, gevlekt aan de voet, dubbelgeveerde bladen, geribde zaden met knobbeltjes. De duvel in een doosje.

Het hele verhaal begint in 2012. Bij de toneelgroep kwam er een vraag van de televisie, de EO. Ze hadden vernomen van ons bestaan als uitbeelders van Middeleeuwse geneeskunst. Ze wilden een uitzending maken over de vergiftiging van paus Adrianus de zesde, ergens begin 16e eeuw. Adrianus zou de enige Nederlandse paus ooit zijn. In de jaren voorafgaand aan zijn aantreden werd er in het Vaticaan ruimhartig geld uitgegeven. Adrianus bracht Hollandse zuinigheid en maakte zich al snel een gehaat man in Rome. Hij is geeneens een jaar paus geweest. Het verhaal wil dat hij vergiftigd is.

Dat vond de EO een prachtig verhaal om als geschiedenisles aan de Nederlandse kinderen te brengen. ‘Helden en herrieschoppers’ heette het programma en het werd op zondagmiddagen uitgezonden. In onze aflevering zou de kinderen geleerd worden via welke wegen de vijanden van Adrianus de zesde hem probeerden te vergiftigen. Doorredenerend zou ik willen stellen dat niet alleen Adrianus de zesde werd vergiftigd, maar net zo goed de Nederlandse jeugd. Wie had dit bedacht!?
Als klap op de vuurpijl werd de rol van gifmenger in de uitzending gespeeld door mijn persoon! Je moet er wat voor over hebben om op de landelijk televisie te kunnen figureren.

Ons werd gevraagd om als ‘deskundigen’ een voorstel te doen voor de verhaallijn van de uitzending. Een heerlijke klus, ik ging aan de slag. Allereerst moest natuurlijk gekeken worden hoe Adrianus vergiftigd is. De overlevering leert ons dat dat waarschijnlijk door een paardenhaar is gebeurd. Een paardenhaar werd in heel kleine stukjes geknipt en door het eten van Adrianus gemengd. Paardenhaar heeft de vervelende eigenschap zich in de maag- en

Een tragisch verhaal. Wilt u weten hoe het afloopt? Lees het in ‘De molenaar van Overleek’.

Recensies

wat zeggen onze lezers

Gaat u reageren?

Ik hoor het graag van u!

Over mij

de auteur van het boek

Verhalen schrijven en vertellen is heerlijk om te doen. De boel aandikken of omdraaien, spelen met woorden, spelen met de verteltijd, goeie plots, maatschappelijke misstanden, alles kan je ermee. Moet u ook doen!!! Om te beginnen zou ik 'De molenaar van Overleek' lezen om ideeën op te doen. U kunt me natuurlijk ook voor een live-vertelling uitnodigen. Pret voor twee. Marten Horjus