De Levende Kerststal


Niet alle verhalen die Marten vertelt of schrijft staan in de nieuwe bundel ‘De molenaar van Overleek’. Op aanvraag kan er voor een gelegenheid een verhaal worden geschreven. Bovendien zijn er verhalen om te vertellen en verhalen om te lezen. Hieronder een bonusverhaal over kerst.

De levende kerststal

Ze fietsten door het donker. Hij was er helemaal niet goed in, maar het moest. En dan zat zij ook nog achterop.
Ze hadden de fiets op de kop getikt op het station en waren op goed geluk de stad uitgereden. Ze hadden de grote stad bedreigend gevonden. Ze kwamen van het platteland.
Na een kwartiertje waren ze de stad uit en zagen in de verte de lichten van een klein stadje.

Ze had het zwaar achterop. De bagagedrager was al niet comfortabel en als je dan ook nog een keer hoogzwanger bent valt het helemaal niet mee. Gelukkig was ze jong en gezond.

Over de brug heen kwamen ze het stadje binnen. Het was stil op straat. De vochtige stenen glommen in het licht van de straatlantaarns. Overal waren de gordijnen dicht. Alleen aan de randen ervan zag je lichtschijnsel.

Ze reden door tot het centrum van het stadje. Op een sluis stond een bank. Hij wiste regendruppels van de zitting en hielp haar te zitten. Hij sloeg zijn jas om haar heen en ging naast haar zitten. Het was kil en koud en ze hadden geen plek om naar toe te gaan.

Zo zaten in stilte. Te moe haast om te wanhopen of een oplossing te bedenken.

Uit een straatje kwam een man. Hij had een verwaarloosde baard en oude kleren aan.
“Lieve Heer”, zei hij, “Wat doen jullie hier? Moet jij niet gewoon in een bed liggen met je dikke buik?”
Maar ze verstonden zijn taal niet.
“Dat heb ik weer”, mompelde hij en verdween.

Even later kwam hij terug met een maat van hem die er al niet beter uitzag dan hij.
“Die mensen hebben hulp nodig. Dat begrijp je toch wel, ouwe!”
“Ja, maar wat moeten we dan met ze?”
“Ze gaan gewoon met ons mee. Er is ruimte genoeg.”

Het begon serieus te regenen. De man en het meisje werden meegetrokken door de twee mannen, te moe om zich te verzetten of om te vragen waarheen het ging.

De mannen namen ze mee naar een oud gebouw met een soort afdak. Daaronder was een ruimte afgeschermd met houten schotten. De oudste man keek even rond of de kust veilig was en verdween onder het afdak.
“Kom maar!”
De andere man duwde het stelletje voor zich uit. Ze kropen achter het schot langs en kwamen in een stalletje. Er stonden een os en een ezel, echte! Er lag stro op de vloer en er lag een stapel kleding. In de hoek zat een pomp.
Het mannetje gebaarde tegen de gasten: “Levende kerststal! De mensen naar huis.”, maar ze begrepen er niets van.

De oudste man spreidde een dikke laag stro over de vloer en legde er een deken op. Het meisje legde zich neer. De zwervers trokken de kleren van de stapel aan. Het waren koningskleren. De jonge fietser volgde hun voorbeeld. Hij zag er uit als een arabier.

Het werd een onrustige nacht in de stal, de jonge vrouw beviel van een kind, het was een jongetje.  Ze legden het kindje in de kribbe en dekten het toe met doeken en stro. Tegen de ochtend pas viel iedereen in slaap.

Om acht werden ze met een schok wakker. Buiten stond, aan het geluid te horen, een grote groep mensen. De jonge vader en moeder namen hun kindje en drukten het tegen zich aan, angstig in de vreemde omgeving en om de bedreigende geluiden van buiten de stal.

De schotten rondom de kerststal werden weggehaald. Een compleet kerstkoor met kerstmutsen op het hoofd, om de hals behangen met knipperende lichtjes en voorzien van muzikanten stond voor de kerststal op de straat. Bij het zien van koningen met lange baarden, Jozef en Maria met hun kind vielen hun monden collectief open..
Met een brok in hun keel zongen  ze “Stille nacht, heilige nacht” en “Hulploos kind” en “Eia, eia Maria”.
Wat een zalig begin van het kerstfeest!

Het duurde niet lang of de boodschap ging door het stadje: Er is een kindeke geboren in de kerststal. Eerst wilden de mensen het niet geloven, maar toen ze eenmaal voor de kerststal stonden sprongen hun de tranen in de ogen.
Binnen de kortste keren waren er warme kleertjes voor het kind, een heus bed voor Maria. Dat werd wel wat verdekt opgesteld, want het mocht het aanzicht van het stalletje natuurlijk niet verstoren.
Het Witte Weekblad  (what’s in a name…..) kwam foto’s maken en er verscheen een prachtige reportage op de voorpagina over het ‘Kerstwonder in het stadje’ en hoe de bevolking zeer goedgeefs was als het ging om babykleertjes en hoe alles leek te kloppen met het echte kerstverhaal. Ieder dag stond het publiek drie rijen dik voor de kerststal.
’s Avonds kwamen de jongens van de aannemer en werd het jonge gezinnetje samen met de zwervers weer achter de schotten gezet. De kerststalbewoners vonden dat niet erg. Eindelijk hadden ze even rust.
Toen verscheen In het Witte Weekblad een ingezonden stukje over seksueel gefrustreerde asielzoekers die ’s avonds over straat zouden kunnen zwerven.
‘Zo een jonge Syriër, weet je, zijn vrouw is net bevallen. En dan al die schaars geklede meiden in de straat. Dan wil je het risico niet lopen. Die kerststal ligt midden in het uitgaansgebied. Laten ze er ’s avonds alsjeblieft die schotten er weer voor zetten. Dan kunnen wij gerust gaan slapen.’

Tegen Nieuwjaar kwam de jongens van de aannemer om de kerststal af te breken.
‘Maar’, zeiden de zwervers,’ hij moet toch blijven staan tot Drie Koningen?’
‘Vuurwerkrisico, meneer. Met al dat stro kan de boel zo in de fik gaan en dan vergoedt de verzekering helemaal niks.’
Een man van de gemeente kwam samen met de juffrouw van de VVV met een bosje bloemen voor de asielzoekers.
‘Jullie hebben het als Jozef en Maria fantastisch gedaan. We hebben in de stad nog nooit zo een bijzondere kerst gehad. Zoveel bezoekers!’
De koningskleren, de herders kleren, het blauwe Maria gewaad, alles moest worden gestoomd zo dat het schoon de kast in kon tot volgend jaar.
‘We willen jullie ontzettend bedanken voor jullie geheel belangeloze inzet.’
De jonge ouders begrepen er geen woord van.
Daar stonden ze op de sluis, hun kind gewikkeld in een doek.
‘Als je wilt kunnen we jullie in de sporthal een plekje geven, daar zitten toevallig nog veel meer mensen zoals jullie.’
Ze verstonden niet veel Nederlands, maar het woord ‘sporthal’ klonk ze angstig bekend in de oren.
Gelukkig stond de oude fiets nog op zijn plekje tegen de brugleuning. Ze fietsten met zijn drieën weg richting het noorden.

Geef een reactie